Op Weg' is het informatieblad van Vrijzinnigen Nederland, afd. Huizen, Naarden-Bussum, Laren-Blaricum en Weesp - onderstaande teksten zijn een redactionele bijdrage van De Engel.


De liefde en de zomer - editie juni-juli-augustus 2018


De zomer staat bijna voor onze neus! 21 juni is de zonnewende. Mijn man en ik vonden het een mooie dag om te trouwen, wat aldus meer dan vijfentwintig jaar geleden is gebeurd. Het was destijds geen zonnige dag, plensbuien trokken over ons heen. We hebben dat nooit als een slecht voorteken beschouwd!  Tegenwoordig trekken we meestal rond die datum naar de zon, naar het (ei)land waar mijn schoonmoeder woont en maken er dan daar een klein zonnig feestje van.
Het is tegelijkertijd ook een reis ’down memory lane’, want onze allereerste reis samen begin 90-er jaren had die bestemming.
Na een week trekken wij ons terug op een ander plekje daar en leven praktisch in stilte. Geen krant, geen digitaal nieuws en ook geen televisie. Alles staat letterlijk even stil. Er is niets anders dan de zon, de zee, de bergen en elkaar, de liefde dus. Dat doet me denken aan woorden uit liefdesbrieven van Khalil Gibran, die hij richtte aan zijn goede vriendin en spirituele partner Mary Haskell, die later zijn beschermvrouwe werd:

Uitingen van liefde zijn maar klein vergeleken
met het fantastische erachter

Hiermee bedoelde Gibran dat er een onbekende god tussen hem en deze vriendin stond, dat de liefde, zo heilig en mysterieus, het werk van een god moest zijn die veel machtiger en belangrijker was dan wie dan ook.
En vervolgens schreef hij:

Volg de liefde als ze je wenkt,
ook al zijn haar paden moeilijk en steil.
En als haar vleugels je omsluiten,
geef je je aan haar over,
ook al verwondt het zwaard dat onder haar
vleugelpunten ligt je misschien.
En als hij tot je spreekt, geloof hem dan
al vernietigt zijn stem misschien je dromen
terwijl de noordenwind de tuin vernietigt.
Want zoals de liefde je kroont,
zo zal ze je ook kruisigen.


En zo is het!





Editie april-mei 2018



Eind april is het feest. Kinderen hebben vakantie en massaal vieren we de verjaardag van de koning. Daar na volgen begin mei de Dodenherdenking en Bevrijdingsdag. In het kader hiervan wil ik u het verhaal van mijn vader vertellen, toen hij in mei ’45 thuiskwam, nadat hij begin april ‘43 in Krommenie is opgepakt om in de DDR, voormalig Oost-Duitsland te moeten gaan werken.


Naderhand toen hij enigszins gekalmeerd was hoorde hij dat ze inderdaad kort voor zijn terugkeer was gestorven met een omgedraaide foto van hem op het nachtkastje in het ziekenhuis. Die foto stond ook thuis naast haar bed, vanaf het moment dat ze hoorde hoe hij met een aantal anderen door de SS was opgepakt. Arbeitseinsatz. Negentien was hij en bakkersleerling.  ‘Kunt u die foto omdraaien of weghalen?’ vroeg de dokter aan haar man. ‘Uw vrouw kan zo onmogelijk sterven.’  De foto werd omgedraaid en nog diezelfde nacht stierf ze. Haar zoon hoorde de datum van haar sterfdag en de droom van een paar weken daarvoor werd plotseling realiteit: zijn moeder die hem in zijn beleving in opperste doodsnood riep. Net zoals die mensen in de brandende kelder in Duitsland.  Hij heeft de hele nacht gehuild en ’s morgens vroeg vroegen zijn kompanen wat er aan de hand was. Hij vertelde over de droom. ‘Dromen zijn bedrog, vergeet het’ zeiden ze. Later telde hij de dagen en nachten terug.  Het geroep in de droom was dezelfde nacht als waarin ze gestorven was.

Wat hem ook zijn verdere leven parten speelde waren de mensen in de brandende kelder, die hij niet had mogen redden van de Duitsers. Dit verschrikkelijke voorval hing altijd samen met de droom over zijn moeder, zijn angst en zijn schuldgevoel waar hij tot zijn dood last van heeft gehouden.
In zijn dagboek schrijft hij:
‘5 december 1944. Zouden ze thuis nog Sinterklaas vieren? Plotseling alarm. Bommen! Naar de noodbunker! Paniek, twee ijzeren deuren werden door de luchtdruk finaal uit de muren geslagen. Na het eindalarm kijken wat er precies gebeurd was. Aan de overkant zag ik een enorme zee van vlammen. Eén van de huizen had een voltreffer gekregen. Ik zag een oudere man huilend en handenwringend rondlopen. De man vertelde dat zijn vrouw, dochter en kleindochtertje nog in de kelder zaten. Ik probeerde met blote handen de ingang naar de kelder vrij te maken van de brokken beton die ervoor lagen, maar zonder gereedschap was dat een onmogelijke opgave. Ik was bang, niet voor mijzelf, maar voor die drie in de kelder die zonder hulp zouden sterven. Het was voor mij een onverdraagbare gedachte.
Opeen zag ik in de verte een colonne brandweerauto’s met soldaten aankomen. Ik ben in het midden op de weg gaan staan en stak mijn hand op. Ze stopten. Eén persoon stapt uit en vraagt ‘was ist los?’ Ik vertel van die arme drommels in de kelder, maar ze hadden geen tijd, ze moesten verder voor bluswerkzaamheden. Ik ging op mijn knieën op straat zitten en smeekte om hulp. De man trok zijn wapen en sommeerde mij weg te gaan. Als ik niet vrijwillig ging, zou hij mij ter plekke neerschieten. Ik liep weg, ook van het gekerm van die drie in de kelder. Ik kon het niet meer verdragen. Ik vond mijzelf een lafaard en schaamde me, omdat ik voor mijn eigen leven koos. De volgende dag werden de lichamen van de drie slachtoffers uit de kelder geborgen’.


 

Wij zijn de gelukkigen - editie februari - maart 2018

Heel recent las ik ‘Wij waren de gelukkigen’, geschreven door een kleindochter van een van de hoofdpersonen uit dit boek. Dit is geen boekbespreking en toch wil ik u aanraden om het te lezen.
Het is gebaseerd op ware belevenissen van een Joods gezin uit Polen, vader, moeder en hun vijf kinderen van 1939 tot 1945. U begrijpt natuurlijk wel dat het over de tweede wereldoorlog gaat en wat dit gezin in deze jaren is overkomen. Dit boek, dat kan ik u wel verklappen, heeft een ontroerend happy-end in tegenstelling waar tot waar de lezing ‘Etty Hillesum’ eind april in De Engel over gaat.
Ik weet niet hoe het bij is u, maar ik lees als het ware in beelden, dus ik zie voor me wat beschreven wordt. De beelden waren vrolijk vanwege de uitbundige Joodse sabbatvieringen in dit gezin, dan weer afgrijselijk vanwege het leed - en dat is nog voorzichtig uitgedrukt - wat bijna ieder gezinslid meemaakte in de oorlogsperiode. Ik zag de oude vader en moeder over de bergen trekken naar de vrijheid in Italië en uiteindelijk liepen de tranen mij bijna over de wangen toen ik de laatste hoofdstukken las.  
Maar wat mij het meest is bijgebleven is de veerkracht en de wil om te overleven van dit gezin ten opzichte van de haat en de wreedheden tegen de (hun) Joodse identiteit. Dat wist ik natuurlijk wel, ik heb in de loop der jaren meerdere boeken daarover gelezen, maar de laatste jaren kan ik daar niet meer zo goed tegen. Ik begon dus met enige huivering aan dit boek.
Maar ik werd meegezogen door de indringende schrijfstijl van de auteur, die de meeste hoofdpersonen uit dit boek gekend heeft, omdat het haar ooms en tantes waren. Zij heeft er tien jaar overgedaan om dit boek te schrijven en is de hele wereld overgevlogen om haar familieleden te laten vertellen over deze episode in hun leven. Dat maakt het verhaal ook zo persoonlijk, waardoor je je als lezer kunt identificeren met deze gezinsleden.
Maar de vraag die uiteindelijk altijd bij mij achterblijft is: ‘Wat hebben de Joden gedaan om zo mensonterend behandeld te worden? ‘Niet alleen door Hitler en consorten, maar door de eeuwen heen zijn zij beschimpt, weggejaagd, gediscrimineerd, vervolgd of vermoord. En dat niet alleen omdat ze door christenen beschouwd worden ‘als moordenaars’ van Jezus, want het gebeurde decennia daarvoor ook al. En vervolgens vroeg ik mij opnieuw af hoe wij mensen in staat zijn (geweest) tot zulke misselijkmakende barbaarsheden.
Oorlog in ons deel van de wereld ligt al ruim zeventig jaar achter ons. Wat de toekomst brengt weten we niet, maar nu leven wij in betrekkelijke rust en wat dat betreft zijn wij de gelukkigen.


Uit editie december/januari 2017/2018


God dienen en vrede op aarde

Mijn plan was schrijven over vrede op aarde met het oog op de naderende Kerstdagen, maar eerst kwam er iets anders in mij op. Ik herinnerde me wat ik vroeger in de godsdienstles uit de catechismus moest leren: ‘Waartoe zijn wij op aarde?’
Ik volg dan gewoon maar die impuls en als het niets blijkt te zijn delete ik het of gooi ik het in de papierversnipperaar. Dat is zo fijn van kantoor aan huis, dan heb je dat soort apparaten tot je beschikking.

Waartoe zijn wij op aarde? Om God te dienen en daardoor in de hemel te komen. Eerst hier op aarde en later in de hemel om het eeuwige leven te verkrijgen In de 50-jaren werd dat: om hier én in het hiernamaals gelukkig te worden. Dat is nogal een verschil. Eerst mocht je alleen maar gelukkig worden in het hiernamaals en plotseling mochten we ook hier gelukkig worden. En toch, het enige wat ik goed onthield was dat er een wereld op mij wachtte. De wereld van God: het paradijs van Adam en Eva. Ik vond het een akelig verhaal met die slang. Dat ze simpelweg gestraft werden door het eten van een appeltje. Ik pikte dagelijks een appeltje uit de groentewinkel van mijn oma. Die lagen glimmend gestapeld in het appelvak. Ik kon me voorstellen dat een vers van de boom geplukt appeltje nog aanlokkelijker was.

Het eeuwig leven!? Ik heb nog een boek uit mijn jeugd, waarin ik op de eerste bladzijde mijn naam geschreven heb, dan adres, woonplaats, provincie, land. Ik maakte dat lijstje zo lang mogelijk met vervolgens Benelux, EEG, Europa, heelal en tenslotte het universum. Verder dan dat kon ik niet denken. De eeuwigheid: een tijd zonder grenzen. Dat kon ik niet bevatten.

En dan God dienen? Wat is dat eigenlijk?  Is dat mijzelf niet opdelen in vieren, vijven, zessen? Geen oorlog voeren in mijzelf? Niet het leven benaderen als een probleem wat opgelost moet worden?  Is dat bewust zijn van het feit dat we bestaan? Erkennen dat iedereen de waarheid spreekt, vanuit zijn eigen standpunt? Is dat werkelijk beseffen dat we zijn wat alle religieuze standpunten gemeen hebben?  Jezus zegt in het Thomas Evangelie, 113: ‘Het hemelse koninkrijk is over de aarde uitgespreid en de mensen zien het niet.  Bedoelt hij met deze uitspraak dat het hemelse koninkrijk te vinden is in het hier en nu, hier op aarde? Dat we op aarde en niet in de hemel als mens onze bestemming vinden, ons leven delen met elkaar, dat hier een plek voor de liefde is?

En dan tenslotte vrede: we naderen het eind van 2017 en zo rond de kerstdagen wordt er meestal om wapenstilstanden gevraagd in oorlogsgebieden en zingen wij in de kerstliederen over vrede op aarde. Maar is dat niet illusoir? Kijkend naar het journaal is er altijd hommeles in binnen en buitenland en dat is nog voorzichtig uitgedrukt. Als ik in de tv-gids lees waar het gekift tussen buren deze keer weer over gaat in de ‘De rijdende rechter’ of de aankondiging hoor over de jarenlange vetes bij het ‘Familiediner’, dan rijzen de haren mij te berge. En hoe vaak voeren we geen oorlog in onszelf met al onze gedachtenkronkels, wat ook nog eens uit kan monden in gekissebis met onze dierbaren. 
En ook andere manieren om naar het ‘hemelse koninkrijk’ te kijken wordt door menigeen verketterd. Dat was in het verleden niet anders dan dat het nu is. Als we naar de loop van de geschiedenis kijken is er niets veranderd. Wat mij binnen alle geloofstakken opvalt is dat juist daar verdeeldheid heerst over wat het enige echte ‘koninkrijk’ is.
Maar we zijn toch allemaal één? En er is toch ook maar één God, welke betekenis of naam dat voor u dan ook heeft. En in die eenheid wordt toch naar zin gezocht? Of blijft u erbij dat we allemaal afscheiden entiteiten zijn? Ja, dan is vrede ver te zoeken.
Begint ‘om God te dienen’ en ‘vrede op aarde’ niet bij onszelf, in ons eigen hart. Durft u het aan om iedereen (figuurlijk dan) te omarmen, ook al heeft hij of zij een andere mening? Misschien is deze donkere tijd bij uitstek geschikt om te reflecteren, om na te gaan wat voor u God dienen en vrede op aarde betekent.